Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label onderwijs. Alle posts tonen

donderdag 24 januari 2019

Rerun: Blij ei


Iedereen die denkt dat ik altijd een blij ei ben: dat klopt. Meestal. Dat blijkt maar weer uit dit stuk uit 2017 dat vandaag in de herhaling gaat.

Een deel van de antroposofische onderwijsvisie houdt in de docent enorm belangrijk is. Hij of zij dient positief en enthousiast te zijn, voor het vak en ten opzichte van de leerlingen. Bovendien wordt er verwacht dat je kunstzinnig en creatief lesgeeft.

Mij kost dit over het algemeen weinig moeite. Ik vind het namelijk echt leuk om les te geven en ben oprecht enthousiast over wat ik doe. Heerlijk, dat reciteren, luisteren naar mooie liedjes, in gesprek gaan met de klas, verhalen vertellen. Ik ben kunstzinnig en creatief, de lessen die ik ontwikkel zijn dat ook zoveel mogelijk en als je het leuk vind wat je doet is het niet moeilijk om enthousiast te zijn.

Bron: Pixabay.com
Fijne combi
Ik vind Engels een prachtige taal en geschiedenis (laten mijn lerarenopleiders het niet horen) zo mogelijk een nog mooier vak. Daarnaast vind ik het erg leuk om verhalen te vertellen. Ik ben op mijn blijst als ik een periode Renaissance kan geven en naast een stuk kunstgeschiedenis ook kan vertellen over de Engelse renaissance; Henry VIII en al zijn vrouwen, Elizabeth I, Shakespeare, sir Francis Drake. Of over de Industriële Revolutie; enclosure, opkomst van de industrie, uitvindingen, sociale kwestie met een staartje Victoriaanse tijd en Dickens. En geschiedenis en Engels en mooie verhalen om te vertellen, mijn persoonlijke lesgeefhemel!

Te vrolijk
Voordat dit een al te vrolijk stukje wordt; ik ben natuurlijk slechts een mens. Een mens bovendien met Pms, kinderen die de neiging hebben om zo af en toe ziek te zijn, slechte nachten en andere zaken die mij uit mijn blij-ei-modus halen. Als er dingen aan de hand zijn die groter zijn dan een alledaagse irritatie of slecht humeur, er echt iets aan de hand is, dan speel ik meestal open kaart met mijn klassen. Als er iemand in je omgeving erg ziek is of zelfs komt te overlijden dan kun je er even niet optimaal zijn en leerlingen mogen dit best weten.

Ziek
Ook heb ik regelmatig te maken met ziekte; mijn zwakke plek is voorhoofdholte-ontsteking en dat duurt zo vier weken. Als het te erg wordt, blijf ik uiteraard thuis, maar dat kan niet altijd. In die gevallen dat ik op school ben maar het eigenlijk net wel/ net niet kan, leg ik het ook uit aan mijn klassen. 'Ik ben er wel, maar voel me behoorlijk naar, wazig en duizelig. Het zou heel fijn zijn als jullie vandaag even extra lief voor me zijn.' Het fijne is: negen van de tien klassen zijn dat dan ook. Net mensen, die pubers.

Heppie de peppie

Als het iets minder groots is, maar ik me om de een of andere reden (hormonen hebben hier vaak mee te maken) niet echt heppie de peppie voel dan bluf ik me er meestal doorheen. Ik doe dan net of ik wel vrolijk ben. En het rare is: dat werkt dus echt. Niet bij echt groot verdriet en narigheid, maar bij huis-tuin-en keuken chagrijn wel. Hoe je dat doet? Jezelf vrolijk bluffen? Ik zet een grote glimlach op. Dat kan gekunsteld of krampachtig aanvoelen, maar ik doe het wel. Met die grote glimlach richt ik me bij de deur op de leerlingen die binnenkomen, schud hen de hand en laat hen weten dat ze welkom zijn. Ik doe mijn best hen vrolijk de klas binnen te laten, deel even een extra complimentje uit en maak bewust, met aandacht contact met de kinderen die binnen komen.

Wat er dan -vaak- gebeurt is bijzonder. Althans, dat vind ik. Leerlingen vinden het altijd fijn om positief benaderd te worden en reageren leuk. Er ontstaat een goede energie en met die energie start ik de les. Vaak treedt dan (bij ziekte of hoofdpijn) adrenaline in werking en negen van de tien keer eindig ik met meer energie de les dan ik eigenlijk in het begin voelde. En wat nog fijner is: de vrolijkheid waarmee ik dan weer afscheid van de klas neem is niet geveinsd.


Zo gebeurt het regelmatig dat ik met een grote glimlach de school uitstap, terwijl ik een paar uur daarvoor nog met een chagrijnige kop binnen stapte. Lukt niet altijd, maar die keren dat het wel zo gaat is winst. Voor alle partijen.

En toch he? Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. Aanstaande maandag doe ik iets dat ik niet vaak doe. Ik focus dan voor een keertje op de zaken van mijn beroep waar ik niet vrolijk van wordt. Mag ook weleens. Altijd maar die pipo-positivo uithangen, dat houdt niemand uit… ;-) 





donderdag 13 december 2018

Rerun: Liefdevol lesgeven


Nu ik op dit blog los ben gegaan met Kerst is het in de donderdagherhaling ook tijd geworden voor een kerstmissig stuk. Liefde, vrede en welbehagen, je kent het riedeltje wel.

Ze zeggen weleens dat als je aardig wilt worden gevonden, je niet het onderwijs in moet gaan. Nu zit hier best een kern van waarheid in, hoor, maar voor mij klopt het niet helemaal. Kijk, als er kwesties zijn waar ik over ga, dan beslis ik. Ik heb de leiding in de klas, ik bepaal hoe dingen gaan. Ik hou van overleg maar uiteindelijk ben ik de baas. Ik ben niet bang om soms te besluiten tot zaken waar niet iedereen van mijn leerlingen het mee eens is. Soms zelfs geeneen. Maar ik vind een goede sfeer in de klas heel erg belangrijk. Soms misschien wel belangrijker dan orde houden. Hoorde je dit nu goed? Ja.

Goede sfeer
Natuurlijk is orde in de klas een belangrijke voorwaarde om tot leren te komen. Ik creëer dit soort momenten zorgvuldig, in bijna elke les is er wel een moment waarin elke leerling in doodse stilte aan het werk is. Heerlijk, de rust die dan in de klas neerdaalt! Maar dit is niet altijd zo. Sterker nog, vaak is het bij mij in de klas een beetje rommelig, een gezellige bende zou je het kunnen noemen. Ik bepaal wanneer deze momenten zijn en ik bepaal ook wanneer het stopt, maar voor de rest laat ik het zo, omdat ik merk dat als leerlingen zich goed voelen, ze ook eerder iets leren. Ik ben wat dat betreft geen strenge juf.

Aardig
Dit zorgt ervoor dat veel van mijn leerlingen mij aardig vinden. Plezierig vanwege bovenstaande reden, maar geen hoofddoel. Omgekeerd vind ik eigenlijk (bijna) al mijn leerlingen aardig. Iedereen? Ja, hoe raar het ook klinkt. Ik werk niet voor niets in het onderwijs. Ik ben sowieso geïnteresseerd in mensen, wat hun leeftijd ook is, maar jonge mensen tussen de twaalf en achttien hebben iets bijzonders. Iedereen heeft zijn eigen kwaliteiten, talenten, gaven, en aan elke leerling kan ik wel iets moois, iets eigens ontdekken. 

Bron: Pixabay.com



Lukt het me niet om dat te vinden, is het vooral een motivatie om door te blijven zoeken. Is het nu een en al hosanna en hippie onderwijs bij mij in de klas? Neen. Ik ben zelf immers slechts een mensch, eentje met pms bovendien en heel soms komt het voor dat het niet klikt met een leerling. Meestal zet ik dan door en besteed dan extra aandacht aan diegene. Ik ben gelukkig wel dusdanig professioneel dat de desbetreffende puber er zelf niets van merkt. Negen van de tien keer zorgt de extra aandacht er trouwens voor dat er vanzelf een soort verbinding ontstaat. Die tiende keer blijft de leerling een mysterie voor mij en blijft het niet klikken. Maar waar ik inmiddels honderden leerlingen, wellicht misschien wel tegen de duizend, heb les gegeven is het aantal leerlingen met wie ik echt niets had op 1 hand te tellen. Best een goed gemiddelde vind ik. Uiteindelijk komt het erop neer dat ik probeer om liefdevol les te geven. Grote woorden en ook behoorlijk hippie de pippie, maar het zou wat. Ik hou van (bijna) al mijn leerlingen. En voor die ene schreef ik onlangs een klein versje.

Voor die ene dromende leerling.

Bron: Pixabay.com


Op een dag, zo dacht zij,
terwijl ze dapper doorzette zoals ze dat al zo dikwijls had gedaan,
op een dag dan zal ik zingend stralend naast de sterren staan.

Ze zette dus door

ze ploeterde en probeerde
ze zag haar kansen schoon
ze wikte en ze woog
ze droomde en ze droomde

en op een dag


           deed ze het gewoon.



(en aankomende maandag volgt de kerstquiz deel twee! Doe jij al mee?)

maandag 26 november 2018

Seksuele voorlichting


Ik had, tot ik in de dertig was, want ze werd ruim over de honderd, een overgrootmoeder. Deze beppe, geboren in 1908, had op vrij jonge leeftijd haar moeder verloren en bleef toen achter met een vader en een oudere broer die (zoals dat in de familie genoemd werd) 'niet helemaal honderd procent was'. Toen ze begin twintig werd moest ze trouwen omdat er een kind onderweg bleek te zijn. Zonder moeder en in een tijd van totaal andere moraal en gebruiken had zij nul komma nul aan seksuele voorlichting gehad en naarmate de zwangerschap vorderde werd zij ongeruster. Want ze wist dat ze in verwachting was, en dat het resultaat daarvan een baby zou worden, maar hoe dat kindje er uit moest? Ze had echt geen idee. Tot er - volgens mij- een buurvrouw was, die heel kort voor de bevalling plaatsvond aan mijn toch wel wat benauwde overgrootmoeder vertelde: 'Sa't it der yn gean is, sa giet it er ek wer ût…' (Zoals het er in gegaan is, zo gaat het er ook weer uit.) Toen pas wist mijn beppe (in elk geval een beetje) wat haar te wachten stond.

Tegenwoordig is dit wel anders. Al op de basisschool wordt er een begin gemaakt met seksuele voorlichting. Voor mijn gevoel een beetje vroeg en iets wat ik met mijn kinderen liever zelf eerst bespreek, maar wellicht juist goed om te doen voor het hele hormonencircus in alle hevigheid al is losgebarsten. Op de middelbare is de biologieles het aangewezen moment om het er nog eens over te hebben. Vrij specifieke tekeningen in het boek zijn al schaamroodopwekkend, maar het onvermijdelijke oefenen met condooms op een banaan of bezemsteel of ander uitsteeksel is natuurlijk helemaal hilarisch. Bij ons op school is er zelfs een neppiemel aanwezig, om een en ander goed te kunnen uitproberen. Stoer!

Ik kan me van mijn eigen middelbareschooltijd herinneren dat ik het behoorlijk confronterend vond om zo'n stinkend stukje plastic, en pleine publiek, over een banaan te moeten schuiven. Bah! Op mijn oude school vonden deze lessen trouwens niet plaats bij biologie, maar was het een aparte lessenserie binnen de mentorles. We hadden er van tevoren een briefje over gekregen waarbij onze ouders via een antwoordstrookje mochten aangeven hier tegen bezwaar te hebben. Bij ons in de klas was er een jongen wiens ouders dit hadden, en hij moest dan ook bij deze lessen het lokaal verlaten en in z'n eentje in de kantine gaan zitten. Hij was al niet heel populair, maar na deze lessen was zijn reputatie van lulletje rozenwater definitief gevestigd. Sneu vond ik toen, al is hij naar mijn weten er nooit in z'n gezicht mee gepest. Ik vraag me nu af of zijn ouders beseften in wat voor uitzonderingspositie ze hem plaatsten door bewaar te maken tegen een paar lesjes seksuele voorlichting.



Al weten kinderen tegenwoordig veel eerder hoe een en ander in zijn werk gaat, het blijft natuurlijk een spannend en ook gevoelig onderwerp. Ik probeer in mijn lessen altijd respect te tonen en vraag dit ook van de mensen in mijn klas. 'Homo' is geen scheldwoord, het is iets dat je bent. 'Neuken' is iets waar je zorgvuldig mee omgaat en niet zo bespreekt in de klas. Zeker niet in een Engelse les, en zeker niet in die woorden, op iets te luide toon. Stiekem vind ik het best aandoenlijk, zeker als je weet dat de stoerste jongens, met de grootste monden en grofste bewoordingen, eigenlijk net zo onzeker zijn over dat gegoochel met lichaamsdelen als elke andere tiener. Volwassen worden wordt je niet zomaar, en hoe hilarisch het ook is, denk ik dat het gepiel met die condooms, en vooral het bespreken van hoe je met seks om kunt gaan als het ooit eens zo ver is, kan helpen om een beetje sturing kan geven in de verwarring die de puberteit met zich mee brengt. 

Al blijf ik raar op kijken als ik in het biologiekabinet op zoek ben naar een pen om even snel iets op te schrijven en dan ineens een flinke plastic piemel tegenkom. 

donderdag 15 november 2018

Rerun: Niet het hoofd alleen III



Vandaag in de herhaling het laatste deel van mijn driedelige rant tegen zaken in het onderwijs waar ik fel op tegen ben. Deze stukken verschenen eerder in augustus en september 2017, maar zijn helaas actueler dan ooit. In de vorige twee blogs vertelde ik over hoe kinderen door beleidsmakers in het onderwijs gezien worden als niet meer dan cognitieve wezens. Lees even terug als je wilt weten hoe het zat, lees door om erachter te komen waarom juf Jolanda zich boos maakt...

Dat is het dus. Mensen hebben in de visie van onze overheid alleen waarde als ze economisch valide zijn. Je mag zo min mogelijk kosten en zoveel mogelijk opleveren. Dat begint bij kinderen en het onderwijs. Het hele wezen van het kind wordt niet gezien. Kinderen zijn rondwandelende hersenen die aangesproken en beoordeeld worden op hun cognitieve vaardigheden. De rest kan in de prullenbak. Onbelangrijk.

Leren en ontwikkelen
Ik zie dat zoals gezegd anders. Voor mij bestaat een mens uit denken, doen en gevoel. Heeft elk mens een hoofd, een hart, een lijf en zelfs een ziel. Kan een kind dingen bedenken, fantaseren, spelen, bewegen, dansen, ruzie maken en samenwerken. 

En van alles, alles leer je. Je leert lezen, schrijven, rekenen, biologie, aardrijkskunde, creatief denken, dingen maken, oplossingen bedenken, hoe je met mensen om kunt gaan, hoe je conflicten op kunt lossen, hoe je soms verdrietig mag zijn en boos, en hoe het is om fijne dingen met anderen te delen. Je kunt leren wat je leuk vind, wat je moeilijk vind, waar je passie en je talent liggen en waar je je nog in kunt ontwikkelen. Al die dingen kun je leren. Mits je wordt gezien zoals je bent. En je de ruimte krijgt om te doen wat jij nodig hebt om te kunnen groeien. Groeien op cognitief, sociaal, emotioneel, motorisch en spiritueel gebied.

Om een kind op alle niveaus te laten stralen – in het Engels to prosper of thrive: het voorspoedig te hebben- moet je het ook op alle niveaus aanspreken. Het is niet vreemd dat ik met deze levensvisie werk op een Vrijeschool. Vrijescholen zijn immers ontwikkelingsscholen, waarbij het onderwijs geen doel is, maar een middel om een kind zich te laten ontwikkelen tot wie hij of zij is. In het Vrijeschoolonderwijs leren kinderen door middel van hoofd, hart en handen. Waarbij alle drie de elementen even belangrijk zijn, zowel op de basisschool als het voortgezet onderwijs. Of je nu Vmbo-T doet, of Vwo. Ieder mens heeft immers een hoofd, een hart en over het algemeen ook handen.

Begrijp me goed. Ik ben niet tegen regulier onderwijs. Scholen doen hun uiterste best om er te zijn voor hun leerlingen en behalve denkstof ook creatieve, sociale en lichamelijke activiteiten aan te bieden. Maar doordat deze niet getoetst worden en in bredere zin genegeerd, raken deze dingen hoe langer hoe meer in de periferie. Meesters en juffen balen hier vaak het meest van. Vroeger was er veel meer ruimte voor tekenen en knutselen, nu mag je blij zijn met een uurtje 'creatief' per week. Frustrerend voor leraren die zien dat dit ten koste gaat van hun leerlingen.

Bron:Pixabay.com


Cito terreur
Ik persoonlijk vind het armoede, pure armoede, dat een cito toets alleen lezen, schrijven en rekenen toetst. En ik vind het een nog veel grotere armoede, grenzend aan misdadig, dat er zoveel belang wordt gehecht aan die cito toetsen. Ook door ouders, want de meeste zijn al net zozeer geindoctrineerd door de hersenen-op-benen gedachte. Leuk hoor, dat tekenen in periodeschriften, maar leren mijn kinderen wel genoeg? 

Wat die cito toetsen betreft, ik zal nooit vergeten dat ik op een informatieavond was op de basisschool waar mijn dochter net in groep zeven zat. Een enthousiaste meester vertelde over de quiz die hij elke week deed, de excursies in het bos vlakbij, de muziek die hij maakte met de kinderen, en tot slot zei hij, op vermoeide toon iets over de citotoets. Over dat dit moest, er nu eenmaal bij hoorde, maar dat het slechts een momentopname was, en dat volgend jaar de leraar van groep acht een advies zou geven op basis van zowel toetsen als het beeld dat de afgelopen acht jaar was ontstaan. Hij drukte ouders op hun hart om zich er niet druk over te maken, dat er niets extra's nodig was en dat ze vooral geen druk op hun kinderen moesten leggen, want al die nadruk op cito: het was gewoon niet nodig. Ik voelde me na dit verhaal gerustgesteld. Een meester naar mijn hart. Niet iedereen van de ouders deelde dit geloof ik, want toen na direct na dit verhaal de ouders vragen mochten stellen, was de eerste vraag die gesteld werd 'Eh ja, maar hoe kunnen we nu die cito thuis gaan oefenen? We hebben al bijles geregeld.' Zucht.


En nog steeds afvragen hoe het komt dat er steeds meer mensen zijn die op steeds jongere leeftijd al lijden onder een burn out?

donderdag 1 november 2018

Rerun: Niet het hoofd alleen II


Vandaag gaat het tweede deel van mijn driedelige betoog tegen een veel te beperkte visie op kinderen en onderwijs in de herhaling. Eerder kon je dit lezen in augustus en september 2017, maar ik wilde er graag nog eens de aandacht op vestigen. Vorige keer vertelde ik over hoe kinderen benaderd worden in het onderwijs. Over hoe vooral het hoofd aangesproken wordt. Deze keer ga ik hier verder op in.


Dit hele principe vind ik dus zum kotzen. Ik besta uit meer dan mijn hoofd, jij hoogstwaarschijnlijk ook, en kinderen zeker. Kinderen leren op zoveel manieren. Door te spelen, te tekenen, te dansen, te bewegen. Maar er wordt hen zoveel ontnomen door alles wat tegenwoordig moet. Verplicht een x aantal woorden kennen in groep twee. In groep 3 huiswerk mee voor aardrijkskunde. Citotoetsen met al in groep 5 waar al een eerste advies voor het voortgezet onderwijs uit voortvloeit. Wat een enorme onzin! En wat een bak met ellende.

De wortel van alle kwaad
Natuurlijk doen scholen hun uiterste best en ik spreek vaak basisschoolleraren die balen van wat er moet gebeuren. De meeste scholen gaan zo flexibel mogelijk om met alles wat het Ministerie hen oplegt, maar kom op! Er is toch iets mis, als je je als school in bochten moet gaan wringen om een kind een jaar langer in groep twee te laten. Iedereen moet doorstromen, iedereen moet door. Zo snel mogelijk op een liefst zo hoog mogelijk niveau door het onderwijs heen. Een jaar langer op school kost geld en kenniseconomie of niet, er moet wel zo min mogelijk doekoe aan worden uitgegeven. Uiteindelijk draait het gewoon ook om de centjes.

Geen enkele zin
Wat ik zo naar vind is die gedachte die erachter zit. Om terug te komen op het voorbeeld van kinderen langer laten kleuteren, laatst was hierover groot nieuws. Nu kijk ik dat niet, maar zoals dat gaat bereikte het mij via via toch. Wat was dat nieuws? Nou, er was dus uit onderzoek gebleken dat een extra jaar in groep 2, voor kinderen die nog niet toe zijn aan groep 3 niets oplevert. Geen enkele zin, niet meer doen. Goed nieuws voor staatssecretaris Dekker van onderwijs, die in september 2016 nog vertelde dat hij zich zorgen maakt omdat veel te veel kinderen een jaar extra in groep 2 blijven. Hij wees naar dat onderzoek waaruit blijkt dat kinderen niet profiteren van dat derde kleuterjaar en verwacht dat scholen hun maatregelen zullen nemen.

Maar als je dan kijkt waarom kinderen volgens de onderzoekers niet profiteren van een jaar langer kleuteren dan blijkt dat kinderen die dat hebben gedaan in groep acht even hoog op de citotoets scoren dan kinderen die zonder extra jaar door zijn gestroomd. Cognitief gezien levert het niets op. En dat is de crux. Dat is waar ik tegenaan loop, dat is waar ik zo enorm spinnijdig van kan worden. Die volslagen beperkte redenatie. Cognitief gezien levert het niets op, dus levert het niets op. Iets heeft alleen maar nut als je er cognitief gezien slimmer van wordt. Iets is alleen maar goed en nuttig als het hogere citoscores oplevert. Al het andere is niet slechts van ondergeschikt belang, het is van nul en generlei belang. Telt niet mee, doet er niet toe.

Bron: Pixabay.com


Argumenten dat sommige kinderen het sociaal-emotioneel nodig heeft om nog wat langer te spelen? Irrelevant. Cito score is hetzelfde in groep 8. De redenatie dat kinderen die naar groep 3 moeten voordat ze er qua ontwikkeling aan toe zijn, onzeker kunnen worden en makkelijk faalangstig worden, en dat hun hele leven met zich mee dragen? Niet van belang, want cognitief schiet je er niets mee op.



En omdat ik na dit stuk pas goed op gang kwam plakte ik er nog een deel aan vast. Deze kun je in de rerun van donderdag 15 november vinden. 

donderdag 11 oktober 2018

Rerun: Niet het hoofd alleen I


Ik lijk misschien een oude hippie. En dat ben ik ergens ook wel. Toch kan deze juf zich af en toe boos maken. Nou ja, emotioneel betrokken, laten we het zo noemen. Daarom gaat mijn driedelige betoog tegen lopende hersentjes, eerder verschenen eind augustus en begin september 2017, vanaf vandaag in de herhaling.


Aan het einde van mijn puberteit, toen ik een jaar of zeventien was, hield ik wel van een discussie en kon behoorlijk fel worden als mensen iets zeiden waar ik het niet mee eens was. Ik was in die tijd uitgesproken in mijn meningen. In de jaren daarna werd dat steeds minder, tot ik de gemoedelijke koningin van de middenweg werd die ik nu ben. Ik zit nog steeds niet snel om woorden verlegen, maar ik geloof niet in absolute waarheden en uitersten en bekijk een zaak dus gewoonlijk van vele kanten.

Felle vrouw op praatstoel
Toch is er iets waar ik vandaag de dag nog uitgesproken en fel over kan worden, en dat is hoe er in het huidige onderwijssysteem naar kinderen wordt gekeken. De overmatige focus op cognitieve vaardigheden is iets waar ik op tegen ben, link van kan worden en direct op mijn praatstoel zit als het onderwerp die richting op gaat. Aangezien dit blogbericht gaat over de fouten die mijns inziens worden gemaakt door deze eenzijdige benadering, bent u bij deze Gewaarschuwd.

Het is niet overdreven om te stellen dat het overgrote deel van de focus in het onderwijs, zowel op basisschool als voortgezet onderwijs ligt op wat kinderen dienen te weten. Onder het mom van 'de kenniseconomie' zijn er soms desastreuze beslissingen gemaakt en bekijkt men over het algemeen de zaken totaal verkeerd.


Bron: Pixabay.com



Hersenen op benen
Ik ben er met heel mijn hart en ziel van overtuigd dat een mens uit meer bestaat dan alleen een hoofd. Maar dat ben ik, hè? Er staat boven dit blog dat je mijn eigenwijze mening er gratis bij krijgt. Nou hier is 'ie. Ik geloof dat wij als menselijk ras meer zijn dan een stel hersenen met benen. Kom bij mij bijvoorbeeld niet aan met verhalen dat liefde niet meer zou zijn dan de optelsom van maatschappelijke patronen en feromonen. Dat zijn praatjes waar ik niets mee kan. Ik zal verder niet ingaan op deze filosofische kwestie, maar dan weten jullie even – voor zover het na tig blogjes nog niet duidelijk was- wat voor vlees jullie in de kuip hebben met mij.

Wat voor achterstanden dan?
Ik geloof dus dat we geen rondwandelende hersenen zijn. Toch lijkt het of onderwijsbeleidsmakers wel die mening zijn toegedaan. Dat is namelijk hoe kinderen in ons huidige onderwijssysteem worden behandeld: als rondwandelende hersenen. Voorbeeld? Ik ageerde al eens tegen het feit dat kinderen tegenwoordig veel te vroeg dingen moeten doen. Dat er zaken van hen verwacht worden die ze biologisch helemaal nog niet kunnen. In datzelfde blogbericht, van zoveel maand, vertelde ik dat kinderen nu al eerder leren schrijven, lezen en rekenen dan vroeger. Het hele plan om kinderen eerder naar school te laten gaan was om achterstanden tegen te gaan. Maar over wat voor achterstanden hebben we het dan? Over achterstanden op het gebied van sociale vaardigheden? Creativiteit? Hechten met ouders, familie of anderszins? Achterstanden op het gebied van spelen? Dromen? Fantaseren? Neen. Achterstanden op het gebied van taal en rekenen. Want dat is immers waar alles om draait. Het hoofd. De hersenen op beentjes.


(Op donderdag 1 november gaat  het tweede deel in de herhaling. En hou je maar vast, want dan begint mijn echte rant pas echt!)

maandag 17 september 2018

Juflezen: Petjes en prinsesjes

Behalve heel veel ontspannen, kringlopen, andere uitjes en in mijn hoofd voorbereiden op een nieuw schooljaar (Een jaar waarin ik hopelijk steeds beter onder de knie te krijgen hoe je kunt lesgeven zónder opgeslokt te worden door je werk!) las ik deze vakantie ook heel veel.


Bron: Pixabay.com


Ik schreef op Ogma.nu (Dat heel leuke boekenblog, weet je wel?) een stukje over wat ik allemaal las, maar speciaal voor dit juffenblog een kleine aanvulling. 


Ik las namelijk ook een heel leuk boekje met de columns van een medejuf: Petjes en Prinsesjes. Zij geeft weliswaar les op de basisschool, maar onderwijs blijft onderwijs en ik vond het leuk om te lezen wat zij allemaal schrijft. 


Inge Braam, die voor het Onderwijsblad, al jaren columns schrijft onder het pseudoniem Lachesis, schrijft over haar leerlingen, haar stagiairs, haar collega's, ouders van leerlingen en over haar studenten (ze geeft ook les op een Pabo). Wat opvalt is hoe ze deze personen trefzeker, soms pijnlijk eerlijk, maar ook kwetsbaar en met humor neerzet. Soms zie je haar zelf ook terug, zeker in het contact met de ander, waardoor je er en passent ook achter komt hoe zij over bepaalde zaken denkt. Maar vaak ook niet, het gaat meer over de ander dan over haar als juf. 


Bron: Bol.com. Boek: Petjes en Prinsesjes. Auteur: I. Braam
Uitgever: Spectrum 
  • Nederlands 
  • 1e druk 
  • 9789027419408 
  • juli 2005 
  • Paperback 
  • 160 pagina's

  • Ik word daar soms een beetje onzeker van. In alle eerlijkheid is dit blog, onder het mom van onderwijsblog, natuurlijk weinig meer dan een veredeld dagboek. Het zijn verhaaltjes over juf Jolanda, die soms dingen meemaakt, vaak haar mening geeft, en af en toe iets over anderen vertelt. Tegelijkertijd is dat dan maar zo. Dit is zoals ik schrijf, en gelukkig zijn er nog mensen die dat leuk vinden om te lezen. Inge Braam heeft een totaal andere stijl die ik erg fijn vond om te lezen. Terwijl ik dit schrijf bedenk ik me ineens dat zij, juist door de situatie en de personen zo helder te beschrijven ook vertelt over zichzelf. Een goede waarnemer is ze, en iemand die zonder een woord teveel te gebruiken een beeld kan neerzetten van iets of iemand. Maar bovenal is ze iemand die, ondanks een oog voor zaken die minder plezierig zijn, houdt van haar werk en van de kinderen die ze lesgeeft, dat lees je dwars tussen de regels door.

    En dat is iets dat we gemeen hebben. 

    donderdag 19 juli 2018

    Rerun: Jezelf zijn voor de klas


    Vandaag in de herhaling een stuk dat nog steeds actueel is. Want jezelf zijn blijft een van de belangrijkste dingen als je lesgeeft.


    Leerlingen prikken er zo doorheen als een docent een rol speelt voor de klas. Toch is het niet altijd makkelijk om helemaal jezelf te zijn als je les geeft.

    Bron: Pixabay.com

    Masker
    Toen ik begon aan mijn eerste baan in het onderwijs zat ik elke ochtend misselijk van spanning in de bus. Ik vond het doodeng om als echte docent voor een klas te staan, en was erg onzeker. Die misselijkheid en het gevoel van spanning was na een paar weken wel voorbij, de onzekerheid duurde langer. Wat mij in die eerste tijd hielp was het dragen van make up. Elke ochtend bracht ik in de vorm van mascara, poeder, glitter en oogschaduw een masker op dat me zekerder deed voelen.

    Delen
    Tegelijkertijd durfde ik op andere gebieden mezelf wel te laten zien. Ik had veel persoonlijke gesprekken met leerlingen, waarbij alle partijen dingen vertelden over zichzelf. Toen ik voor het eerst een afspraakje had met de man die mijn grote liefde zou blijken te zijn, deelde ik dat ook met een aantal leerlingen, in een gesprek na afloop van de les, waarin we het hadden over leuke plannen voor het weekend. Heel gewoon, geen probleem.

    Afleren
    Dit is iets wat ik altijd heb gedaan in mijn lessen; af en toe ook mezelf als mens laten zien aan mijn leerlingen. Toch is het blijkbaar ook iets dat je kunt afleren. Tijdens de twee jaar waarin ik les gaf aan een reguliere middelbare school moest ik veel zaken ineens anders aanpakken dan ik gewend had. Ik had les gegeven op een Montessorischool en een onderwijsvernieuwende school, waarin ik te maken had gehad met leerlingen met een grote mate van zelfstandigheid. Ik kon mezelf zijn en hen begeleiden in wat er moest gebeuren. Hoe anders was dit op de 'gewone' middelbare school! Ik moest leerlingen hierin veel meer vanaf een afstand (mevrouw in plaats van Jolanda) gaan vertellen wat ze moesten doen. Niet alleen was het autoritaire stukje iets wat niet goed bij mij paste, maar ook kon ik veel minder mezelf laten zien. Ik moest letterlijk een rol spelen. Die van de strenge en consequente lerares. Ik heb onwijs mijn best gedaan en kreeg het uiteindelijk ook steeds meer in de vingers, maar ik had steeds minder plezier in wat ik deed. Hierdoor leerde ik ook af om mezelf te zijn, en persoonlijke dingen te delen met mijn leerlingen. Iets wat ik pas besefte toen ik daar op mijn huidige school door een collega die op lesbezoek was geweest, op werd gewezen.

    Wennen
    Ik vond dit maar raar, want dat was nu juist een van mijn sterke punten altijd geweest, maar ik besefte ook dat ze gelijk had, ik moest echt weer even wennen aan een ander soort docentenrol. Ik ben er daarna bewust meer mee gaan doen, af en toe iets persoonlijks zeggen. Als er iets leuks gebeurd is, of ik juist met iets naars zit, vertel ik daar vaak even kort iets over in de klas. Gewoon om leerlingen te laten weten waarom ik misschien wat vrolijker ben dan normaal, of een beetje meer afgeleid.

    Binnen het vrijeschoolonderwijs wordt dit aangemoedigd. Een aspect van het onderwijs is namelijk dat je als leraar met je hele wezen voor de klas staat. Je moet dus ook persoonlijke zaken met je leerlingen kunnen delen. Voor mij voelt het beter om als volledig en gelijkwaardig mens voor de klas te staan, en niet als een orde-bewarende-docent-spelende vrouw. Ik denk dat het mijn kracht is om zonder autoritair te doen, zonder me anders voor te doen en mij regelmatig kwetsbaar op te stellen mijn klassen te leiden. Niet autoritair, maar wel met autoriteit. 

    donderdag 5 juli 2018

    Rerun: Engels op de basisschool


    Vandaag weer een trip down memory lane. Letterlijk, want het stuk dat in de herhaling gaat, ging over lesgeven op de basisschool. Dat doe ik al een tijdje niet meer, en ik mis het soms wel. Want wat is het leuk, lesgeven aan die kleintjes...


    In een lang schimmig verleden (althans het was keurig, maar dat begint wat minder smeuïg) ging ik eens naar een taalcongres. Hier heb ik een dag rondgelopen en aan van alles mee gedaan.

    TPRS
    Zo volgde ik er een workshop TPRS: Teaching proficiency through reading and storytelling, bij de man die dit ontwikkelde, Blaine Ray. Een waanzinnig inspirerende workshop waar ik direct meer mee wilde doen. Op dat moment had ik echter niet de mogelijkheid om dit toe te passen. Later zat mijn oudste dochter in groep 7 bij een enthousiaste meester die mij uitnodigde om bij hem Engels te geven. Toen ik aangaf dat door middel van TPRS te willen doen werd hij alleen maar enthousiaster.

    Wat TPRS is? Hmm... dat is een lang verhaal. Ik zal er later nog eens uitgebreider over vertelen, maar laat ik het er voor vandaag bij houden dat het gaat om verhalen vertellen, waarbij de leerlingen zelf heel veel invloed hebben op de voortgang van het verhaal. Ik durfde het als beginner in het basisonderwijs en zonder enige ervaring met TPRS niet aan om de leerlingen echt het hele verhaal te laten bepalen, maar ik liet stukjes open die zij mochten invullen. Waar het om ging was dat ik eindelijk verhalen kon vertellen. En dat deed ik. Eerst het verhaal van 'the blue boy and the purple peanut'. Daarna het verhaal over een pinguïn die wil dansen maar de juiste schoenen niet kan vinden. Ik verzon de kern van het verhaal zelf, liet de kinderen de details invullen en maakte boekjes met het verhaal in geschreven vorm en vragen daarbij.

    Leergierig
    Voor de rest las ik voor. Roald Dahl is altijd een goed idee, en omdat veel kinderen zijn verhalen al kennen, kun je best in groep zeven of acht zo'n boek voorlezen. Dat wat ze niet verstaan of begrijpen kennen ze nog wel een beetje van de Nederlandse versie immers. Ook liet ik de kinderen in groepjes een quiz maken en in het Engels complimenten geven aan elkaar. Mijn laatste keer lesgeven in groep 7 en 8 besloot ik met een taalcircuit. Wel een organisatie, maar wat was het leuk; de kinderen deden een quizje, bestelden in het Engels wat te drinken en lieten zien wat ze geleerd hadden. Verreweg de meeste van de kinderen die ik zo les gaf waren namelijk heel leergierig en enthousiast. Engels was een interessant beetje exotisch vak, een voorbode van de middelbare school waar ze best naar uitkeken. Toch stopte ik ermee, omdat ik een flink stuk meer ging werken en mijn baan niet langer met het vrijwillige werk op de basisschool kon combineren. Soms mis ik het nog.

    Bron: Pixabay.com


    Echte kleintjes
    Vorig jaar heb ik wel een paar keer iets nieuws uitgeprobeerd: lesgeven aan nog jongere kinderen. Groep vier. Het was uitdagend, om hun aandacht er telkens bij te houden, maar wat hadden ze er een plezier in! En ik natuurlijk ook. Dit keer vertelde ik geen verhalen TPRS-stijl, maar deed ik het anders. Ik had op mijn werk namelijk een boek over Engels op de Vrijeschool gevonden, gericht op de onderbouw (basisschool). Dit hield in dat we elke les versjes opzegden, liedjes zongen en spelletjes deden. Zo leren, dat het niet aanvoelt als leren zeg maar. Omdat het niet het hele jaar was, maar slechts een paar keer was het goed vol te houden. Ook deze lessen sloten we op gepaste wijze af: met een echte Engelse afternoon tea. Voor mij een goede combinatie:Engels, blije kinderen en lekker eten. Kijk, en toen dat werd geserveerd had ik dus geen enkele moeite meer om hun aandacht er bij te houden!


    Zoals gezegd geef ik al een tijd geen Engels meer op de basisschool, maar mijn kinderen krijgen tegenwoordig wel Engels, al vanaf groep 1. Het is nu te kort dag, voor volgende week en de week daarna staan de laatste stukken voor de zomervakantie al klaar, maar bij deze beloof ik dat ik na die vakantie hier nog eens over schrijf; hoe mijn kinderen nu Engels krijgen op de basisschool en wat ik daarvan vind. Cliffhanger tot en met september is dit!

    maandag 2 juli 2018

    Juf Jolanda en de burn-out deel vier: reintegreren


    Voor wie hier al een tijdje meeleest is het inmiddels bekend: in mei 2017 kwam ik thuis te zitten. In juli van dat jaar was ik kort aanwezig bij het jaarlijkse zomerfeest en bij de afscheidsbijeenkomst voor de docenten, en het plan was om in september weer mijn taken op te pakken. Dit bleek echter veel te veel, veel te snel. In september ging het slechter met mij dan tijdens de eerste weken van mijn ziekzijn, en reïntegreren was niet mogelijk. Toen ik ervoer dat ik de ruimte kreeg van mijn baas, kon ik ook eindelijk mezelf de ruimte geven om gewoon ziek te zijn en te accepteren dat beter worden tijd nodig had. Tijd die niet van tevoren ingeschat kon worden, en die "gewoon" moest verstrijken. Door de rust die dat gaf, werd ik heel langzaam kleine stukjes beter.

    In december voelde ik dat ik er aan toe was om weer naar school te gaan, en ik ging een paar uurtjes naar de kerstviering voor collega's. Heel druk, heel gezellig en ik moest er flink van bijkomen, maar het was wel fijn om even terug te zijn. 

    Vanaf januari begon het echte reïntegreren, en dit mocht ik opnieuw zelf invullen. Ik deed, in overleg met mijn leidinggevende, wat ik dacht dat goed was, in mijn eigen tempo, zonder na te denken over de volgende stap. In eerste instantie ging ik 1 keer per week 2 uurtjes naar school om daar een kop thee te drinken, te praten met collega's en achter de computer misschien eens mijn werkmailbox wat op te schonen. Klinkt niet als veel, maar voor iemand met een burn-out echt inspannend! Ik zorgde dat ik tijdens lesuren in de lerarenkamer zat, want met meer dan een of twee mensen praten kostte teveel inspanning. 

    In februari breidde ik uit naar 1 keer per week 3 uurtjes op school en zat ik zelfs tijdens pauzes weleens in de docentenkamer. Niet dat ik mee kon praten, want wat een explosie van activiteit, geluid, gesprekken… Gewoon zitten en kijken was al genoeg. Daarnaast ging ik op onderzoek uit, waar mijn spullen lagen. Ik inventariseerde waar alles lag (keurig opgeruimd door mijn collega's, de schatten!), en wat ik allemaal had. 

    Eind februari, begin maart was ik toe naar een stapje erbij: nog steeds 1 middag per week naar school, maar nu een volle middag, van 12 tot 16 uur, half vijf en - belangrijker nog- weer inhoudelijk bezig. Ik plande welke klas ik later zou gaan lesgeven en bereidde lessen voor. Dit ging niet van een leien dakje, verre van. De eerste keren dat ik bezig was, had ik geen idee wat ik aan het doen was. Concentratie was miniem, prioriteiten stellen onmogelijk, ik had het gevoel dat mijn hoofd het niet meer deed. Uren was ik bezig, en aan het einde van de middag bleek ik nauwelijks iets te hebben gedaan. Ik werd er weleens bang van dat ik het niet meer kon; nadenken, plannen, werken. Maar ook dan vertrouwde ik er maar weer op dat het zijn tijd nodig had en ik niet snel hoefde. Op een middag eind maart merkte ik ineens dat het knopje in mijn hoofd op 'on' stond; ik was een hele middag fijn bezig geweest. Ik had weer overzicht, wist wat er moest gebeuren en werkte daar aan. Ik nam bovendien genoeg pauzes tussendoor, ging niet over grenzen, en toch kreeg ik zaken weer voor elkaar. Wat een opluchting! En niet alleen dat maar ik voelde het plezier weer terug komen. Had zo'n zin om weer les te geven, dat ik besloot dat dat weer kon. 1 klas, 3 lesuurtjes, heel rustig beginnen.

    Begin april was het zo ver. Een dag een lesuur en de rest van de middag verder voorbereiden, spullen klaarleggen en andere organisatorische zaken en een tweede dag een blokuur. Zo werkte ik een lange middag en een korte middag per week, goed te doen. Die eerste week was zwaar. Heel zwaar. En bijzonder leuk vond ik het ook niet. Een energievolle zevende klas, vol stuiterende pubers, die geen boodschap hadden aan leraren die nog moeten herstellen van een burn-out. Bikkelen was het. Na die twee middagen lag ik weer uren in bed om bij te komen. Maar niemand heeft gezegd dat reïntegreren altijd leuk is of makkelijk gaat, dus zette ik gewoon door. De tweede week lesgeven vond ik nog steeds extreem vermoeiend. Maar ik merkte ook dat ik het wel weer leuk vond, al die lieve stuiterballetjes. Waarvan er twee na een paar lessen al bij mij kwamen om te zeggen dat ik hun nieuwe favoriete lerares was. Aaahh.. Lief. In de derde week lesgeven merkte ik bij het naar school gaan dat het heel natuurlijk voelde. Makkelijk. Lesgeven is wat ik doe, ik moest er gewoon weer inkomen. Toen dat eenmaal was gebeurd draaide ik mijn hand er niet meer voor om. En was het ook niet meer zo intens vermoeiend. Goddank!

    Zo ging het ineens toch best wel snel. Na de meivakantie ging ik half mei van 1 naar 2 zevende klassen, en werkte ik weer op drie dagen. Een lange middag en twee korte middagen, maar toch. Deze tweede zevende klas vond ik best pittig, maar ervaring helpt. Plezier in wat je doet ook. Begin juni kreeg ik er een achtste klas bij, een klas die ik al kende van vorig jaar, ook al van die lieverds. Hen weer les mogen geven voelde als een cadeautje, en gaf me genoeg vertrouwen om de laatste weken van dit schooljaar er nog een achtste klas bij te nemen. Zo werk ik nu voor de derde week alweer 80%, drie behoorlijk volle dagen. Eigenlijk  iets teveel qua belasting, maar omdat het maar voor drie weken is, is het net te doen. Normaliter had ik de stap van drie naar vier klassen iets langzamer gedaan, maar nu, met de zomervakantie in het vooruitzicht, moest het even iets sneller.

    Bron: Pixabay.com


    En hoe nu verder? In september begin ik gewoon weer met vier klassen; 80% van mijn normale werkbetrekking. Na een week of drie, vier, afhankelijk van hoe het gaat en ik mij voel, neem ik dan de vijfde klas erbij en zit ik (in elk geval qua lesgeven) weer op honderd procent. Ik zal dan nog niet ook direct taken op me nemen, en elke vergadering bijwonen, want ik merk wel dat het tempo de laatste maanden wel erg rap werd opgevoerd. Door mezelf, zonder druk van mijn werkgever, maar het korten van mijn salaris heeft hierop wel flink invloed uitgeoefend en kon ik als kostwinner niet negeren. Ik vind het dan ook best veel om met vier klassen te beginnen. Maar aan de andere kant zorgde het geleidelijk meer klassen erbij nemen de afgelopen maanden er wel voor dat ik telkens verschillende klassen met verschillende planningen had. Ondanks dezelfde niveaus en dezelfde jaarlaag, want met de een was ik immers al eerder begonnen en had ik dus meer tijd. Dat vergt veel van mijn schakel- en organisatorische vermogens en da's niet heel eenvoudig voor iemand met ADD en herstellende burn-out. Dat aspect speelt aan het begin van het schooljaar niet. Ik heb dan weliswaar vier klassen, maar hoef ik maar twee verschillende planningen te maken; een voor de zevende klassen en een voor de achtste. Daarmee is het begin van het schooljaar even iets rustiger dan deze afgelopen weken, en dat vind ik eigenlijk wel heel fijn.

    Al met al moet ik goed mijn grenzen bewaken, meer rust nemen dan ik ooit gewend was, maar voel ik ook vertrouwen en plezier in wat ik doe. Zolang ik dat alles - grenzen, rust, vertrouwen en plezier - blijf combineren, kom ik volgens mij een heel eind. 

    maandag 18 juni 2018

    Lesgeven met ADD


    Vorige week in mijn blog over het verloop van mijn burn-out vertelde ik dat ik erachter ben gekomen dat ik ADD heb. Voor de mensen die niet precies weten wat het is: zeg maar ADHD zonder het hyperactieve.  Zelf vind ik de term 'een chaotisch hoofd' wat vriendelijker klinken. Dat ik dit had wist ik natuurlijk al veel langer, ik schreef hier al eerder eens een stuk over dat afgelopen donderdag in de rerun kwam.

    Toch is er voor mij wel iets veranderd sinds ik mijn diagnose heb. In positieve zin, maar ook wel in negatieve. Zolang ik het zag en benoemde als chaotisch zijn voelde het als iets wat lastig was maar ook als iets niet direct heel storend. Een beetje zoals Pietje Bell's vader hem vergoelijkend een bijzonder kind noemde terwijl hij - laten we heel eerlijk zijn- tegenwoordig op zijn minst specialistische gezinshulp had gekregen zo niet uit huis plaatsing. 

    etiketje erop!
    (bron:pixabay.com)

    Nu er een officieel etiket zit op wat ik heb voelt het zwaarder. Er is immers officieel iets mis met mij. Iets waar ik weinig aan kan doen (medicijnen geprobeerd, maar die hadden een tegengesteld effect). Iets wat nooit meer over gaat. Iets wat ik heel veel liever niet had gehad. Waar ik een hekel aan heb, omdat ik zo graag "gewoon" had willen functioneren. En dat is iets dat soms best moeilijk is.

    In mijn dagelijks leven betekent het dat als mijn kinderen mij iets vragen ik mij enorm moet concentreren. Koekje? Eh, eens kijken, hoe laat is het eigenlijk? Hebben ze al iets gehad vandaag? Hoe laat gaan we eten? Hebben ze gespeeld bij andere kinderen en daar al iets gehad? Hoeveel koekjes hebben we eigenlijk in huis? Hadden ze hun ontbijt/lunch wel opgegeten? Dat zijn dingen die ik razendsnel moet gaan bedenken en, nu ik aan het reïntegreren ben en weer meer aan het werk ben, lang niet altijd snel paraat heb. Vraag maar aan je vader is acht van de tien keer het antwoord dat ik hen geef. Laatst verzuchtte mijn middelste dochter: 'Ja, maar mama, dat is toch een heel simpele ja of nee vraag?'. Nou, nee, niet als ik met mijn hoofd bij mijn werk zit, of net een berichtje tik, of domweg in gedachten ben verzonken. Sorry. 

    Lesgeven met ADD is net zo ingewikkeld. Met name de organisatorische kant kost mij enorm veel energie. Maar écht enorm veel. Ik moet mezelf dwingen om dingen volgens een heel strak schema voor te bereiden en zaken klaar te leggen. Ik moet daar te allen tijde mijn concentratie bijhouden. Even laten gaan betekent dat ik werk kwijt raak. Letterlijk. Het is wel voor gekomen dat ik in de lerarenwerkruimte opdrachten printte, deze meenam naar de docentenkamer, daar een kop thee inschonk, de opdrachten wilde pakken en ze weg waren. Gewoon weg: poef! Niet in de ene kamer, niet in de andere, niet in de gang, niet in mijn tas. Ik heb ze nooit meer gevonden. 

    Zo heb ik in de loop der jaren uren, waarschijnlijk dagen of zelfs weken aan werk kwijt geraakt. Allemaal werk dat ik -gehaast- moest inhalen of moest improviseren. Nu ben ik gelukkig goed in improviseren en zeker van mezelf qua lesgeven, maar toch baal ik er enorm van. En als ik niet oppas (kom ik weer met die zelfcompassie) zorgt het voor veel stress.

    De enige manier is om mezelf er constant bij te houden. Lesplanningen te maken van elke les, mappen waarin ik op een vast moment in de week al het materiaal voor elke les klaarleg, een vast begin en einde van elke  les. Met name dat organisatorische aspect kost veel tijd en veel energie, maar da's niks vergeleken bij wat het me kost als ik dit niet zo zou doen.

    Daarnaast zijn alle prikkels, al het geluid en alle energie die je omringt als je urenlang voor klassen met pubers staat, een behoorlijke aanslag op me. Dat is de reden waarom ik er vaak voor kies om in de pauze niet naar de docentenkamer te gaan maar even in de rust van een leeg lokaal te blijven.

    Het onderwijs is voor iedereen een belastende baan, maar voor iemand met ADD is dat nog net een tandje erger. Dat is een van de redenen waarom ik het duizend keer liever niet had gehad. Maar het hebben van een officiële diagnose heeft ook een positieve kant. Ik kan nu aan mensen uitleggen dat als ik soms een deel van een gesprek kwijt ben, dit niet komt omdat ik hen niet interessant genoeg vond, maar omdat mijn hoofd soms wat anders werkt. Ik kon aan mijn leidinggevende uitleggen dat mijn arbeidsomstandigheden aangepast moesten worden aan mijn aandoening. In dit geval betekent dit: één vast lokaal (want lokaalwisselingen gedurende de dag, met bijbehorende organisatie van welke spullen heb ik wanneer in welk lokaal nodig zorgen, zeker nu ik nog moet genezen van de burn-out, maar eigenlijk altijd wel vanwege de ADD, voor kortsluiting in mijn hoofd.). Hier heb ik een kast waar ik alle spullen op een vaste manier opberg en dus ook weer kan vinden. Het lost niet alles op, maar helpt wel.

    Iets anders wat ik positief vind is dat ik de leerlingen 'met een vlekje', diegene met eenzelfde soort etiketjes begrijp. Ik snap waarom die ene leerling zoveel moeite heeft met inleveren van een verslag, ik snap hoe je totale paniek kunt voelen als je zomaar spullen kwijt bent. Gewoon omdat je hoofd even met iets anders bezig was en ineens -poef!- was het weg. De frustratie die dat met zich mee brengt snap ik compleet, omdat het iets is waar ik zelf nog dagelijks mee worstel. Maar ook die leerling die niet kan stoppen met bewegen, of die niets hoort omdat 'ie naar buiten zat te staren, of die in zichzelf zit opgesloten, ook die begrijp ik beter. 

    Nog steeds had ik het liever niet gehad. Dat had mijn leven een stuk eenvoudiger gemaakt. Maar tegelijkertijd zijn er een stuk ergere dingen en is dit iets waar prima mee te leven valt. Dan gaat er soms maar eens iets mis, so what? Leven is fouten maken. En die fouten net zo omarmen als datgene dat wel goed gaat. Misschien dat als die vlekjes-leerlingen zien dat een leraar met ADD daar relaxt mee omgaat, ze uiteindelijk zelf ook iets minder in paniek raken als bij hen iets misgaat. Dat zou ik fijn vinden.

    Maar één ding: zullen we gewoon zeggen dat ik een juf ben met een chaotisch hoofd, zonder het Awoord te vaak te noemen? Dat klinkt, vind ik, gewoon net even iets gezelliger. 

    donderdag 14 juni 2018

    Rerun: Chaos

    Afgelopen maandag schreef ik iets over de diagnose die ik tijdens mijn burn out kreeg. Onderstaand stuk, dat hier vandaag in de herhaling gaat, schreef ik voordat ik wist dat ik ADD heb.


    Tijdens mijn studie moest ik regelmatig Pop's maken: persoonlijke ontwikkelplannen. Ik vertelde dan altijd dat ik een chaotisch persoon ben. Juist daarom was ik altijd erg streng voor mezelf en bracht ik veel structuur aan in mijn planningen en mijn lessen. Mijn docenten en stagebegeleiders zagen alleen die planningen en die lessen en aan het einde van mijn studie was er een docent die zei dat ik volgens haar helemaal niet chaotisch ben. Een goed voorbeeld van dat wat er van binnen leeft je lang niet altijd aan de buitenkant ziet.

    Bron: Pixabay.com


    Bij leerlingen werkt het soms hetzelfde. Er verschijnen veel leerlingen in mijn lessen waar “iets” mee is. Add, adhd, dyslexie, dyscalculi, ass, asperger, beelddenkers, pdd nos, hoogsensitief, noem maar op. Sommige dingen kun je merken, andere ook helemaal niet. Bovendien is de ene leerling met asperger de andere niet. Er zijn ook leerlingen zonder officieel etiketje, waarbij ik soms vermoed dat ze zaken anders ervaren of aanpakken dan gebruikelijk is. Soms kan een diagnose fijn zijn, omdat het recht geeft op extra hulpmiddelen of inzicht kan geven waarom dingen fout lopen. Het kan ook handvaten geven om beter met bepaald gedrag om te gaan en leerlingen te helpen lekkerder in hun vel te zitten of het beter te doen op school. Dat zijn de voordelen.

    Nadelen
    Wat je soms ook tegenkomt is dat een leerling zijn of haar etiketje gebruikt als excuus voor vervelend gedrag of slechte cijfers. Ik kan niet aardig zijn voor anderen want ik heb autistische trekken, bijvoorbeeld. Terwijl ik leerlingen altijd voorhoudt dat als je ergens moeite mee hebt dit niet betekent dat het dan niet hoeft. Het betekent wel dat je er meer moeite voor moet doen. Sommige dingen zullen altijd moeilijk blijven, en er zullen zaken zijn die nooit helemaal gaan zoals je graag zou willen, maar dat is geen reden om het er bij te laten zitten. Dit laatste weet ik uit eigen ervaring.

    Hak, tak en chaos
    In mijn hoofd is het namelijk echt chaos, nog steeds. Ik vind het moeilijk om meerdere dingen tegelijk te doen, en dat hoort bij de taakomschrijving als je lesgeeft. Je moet immers in de gaten hebben wat je met welke klas gaat doen, welke materialen er nodig zijn, welke leerling extra aandacht nodig heeft, wie nog iets moet inhalen, op welke bladzijde van welk boek we zijn, wie in de klas stiekem briefjes doorgeeft en wie er de hele tijd door de grammatica-uitleg heen praat. Ik kan het, maar het kost sloten energie. Mijn hoofd werkt in veel opzichten anders dan dat van anderen. Ik begrijp hierdoor mijn leerlingen met een concentratieprobleem behoorlijk goed. Mijn gedachten vliegen ook alle kanten op en als ik met een ding bezig ben dan kan ik al het andere om mij heen vergeten. Tegelijkertijd ben ik dat ook weer vergeten als iets mij afleidt. Als ik kook gebeurt het bijvoorbeeld regelmatig dat iets aanbrandt omdat ik in de keuken een krant tegen kom en dan begin te lezen en vergeet waar ik ook weer mee bezig was. Autorijden is iets anders wat mij absurd veel moeite kostte om te leren, ik kreeg het nauwelijks voor elkaar. Overal kijken en direct doen in plaats van er over na te denken, en alles altijd tegelijk... Heel erg moeilijk.

    Structuur.
    In de klas overkomt mij dat gelukkig niet, en het magische woord hierbij is structuur. Vrijwel elke les begint op dezelfde manier en eindigt op dezelfde manier. Ik kijk altijd even terug op de vorige les en kijk aan het einde even vooruit naar de volgende. Het programma van de dag, inclusief huiswerk voor de volgende keer staat op het bord. Als ik leerlingen soms vraag wat ze prettig vinden aan mijn lessen en wat ik eventueel nog kan verbeteren, dan blijkt dat ze het fijn vinden dat ze altijd weten waar ze aan toe zijn bij mij. Ik ook. Het geeft tegenwicht aan de chaos. 

    donderdag 24 mei 2018

    Een week in het leven van een reïntegrerende juf


    Afgelopen maandag verscheen er een herhaling van een bericht uit 2017, waarin ik vertelde wat ik in een week zoal deed. Vandaag een dwarsdoorsnede van wat ik tegenwoordig (40% aan het werk, 60% herstellende van een burn-out) doe.

    Maandag
    Vandaag begin ik de dag rustig. Het is mooi weer dus ik fiets na het naar school brengen van de kinderen op mijn gemakje naar het dorp voor wat boodschappen. Thuis zet ik een kop thee, lees een boekje, doe een wasje en voor ik het weet is het half twaalf. Nu wilde ik vandaag rustig aan doen, maar dit is wel erg rustig. Ik pak de laptop en typ op de bank twee stukjes, een voor JufJolandablogt en een voor Ogma en dan heb ik nog tijd om een paar broodjes te eten voor de kinderen weer van school gehaald moeten worden. Eigenlijk ben ik niet tevreden over wat ik heb gedaan. Maar ik heb geleerd dat ik daardoor nog niet boos hoef te worden op mezelf. Mijn eigenwaarde hangt niet samen met de hoeveelheid dingen die ik doe. 's Middags vilt ik samen met mijn jongste dochter een mooie lap waar ik een riem van wil maken, ik typ snel nog een dekselse detective voor Ogma en ik maak op mijn gemakje een salade voor het avondeten. Mij maken ze vandaag niet gek. Zolang ik mijn onbedwingbare drift om te doen maar niet volledig de ruimte geef. 

    Dinsdag
    Normaal zou ik vandaag een paar uur lesgeven, maar het is deze week projectweek en omdat ik dan niet hoef les te geven kan ik zelf mijn uren indelen. Om mezelf te laten wennen aan lange dagen (vanaf volgende week ga ik weer een klas extra lesgeven en ben ik 1 lange dag en twee middagen aan het werk) besluit ik om vandaag alleen thuis een uurtje bezig te gaan en morgen van half tien tot vijf op school te werken aan het voorbereiden van mijn lessen tot de zomervakantie. Komt mooi uit want het is mooi weer en ik heb gelegenheid om met mijn lieve schoonzus een ochtendje lekker wat te prutsen en te knutselen. Genieten van even niets moeten en van iets moois maken draagt ook bij aan mijn herstel en dus ben ik eigenlijk Bijzonder Verstandig bezig.

    Woensdag
    Vandaag voor het eerst een lange dag op school. Even geen lesgeven, maar wel flink aan de slag met het voorbereiden van de lessen van de klas die ik nu al lesgeef, de klas die er vanaf volgende week bijkomt én de klas die ik over drie weken hoop over te nemen. Ik heb een strak schema gemaakt voor mezelf, waarbij ik niet langer dan één uur achter elkaar mag werken en dan verplicht minimaal twintig minuten pauze moet houden. Lastig, want met mijn ADD hoofd ga ik zonder dat ik het merk zomaar twee, drie keer zo lang door dan ik eigenlijk van plan was. Ik moet dus alert blijven, mezelf afremmen en streng zijn met pauzes. Ik besluit om niet naar de lerarenkamer te gaan in mijn zelf opgelegde pauzes maar even een boekje te lezen of een kort wandelingetje te maken. Geen idee of ik dit straks als ik weer hele dagen lesgeef ook volhoud, maar vandaag lukte het. 
    's Avonds geef ik twee uur achter elkaar eindexamentraining aan iemand die ik jaren bijles gaf. Leuk, hopelijk nuttig en niet heel inspannend, maar toch ben ik bekaf. Negen uur lig ik in bed en slaap bijna direct.

    Bron: Pixabay.com


    Donderdag
    Zo'n hele dag op school en daarna nog twee uur bijles geven bleek toch net iets teveel van het goede, waardoor ik vannacht slecht heb geslapen. Onrustig, veel dromen, veel wakker liggen en weinig echt tot rust komen. Omdat het strikt genomen niet per se moet en ik gister heel veel heb gedaan, neem ik vandaag echt rust. Ik trek me terug in onze caravan met een stapel tijdschriften, een pot thee en - in verband met de wens om af te vallen ter vervanging van koekjes of chocola- een schaal rauwkost. Het lukt me moeilijk om langzamer te gaan in mijn hoofd en lijf, maar met veel rustig uitademen en een meditatie lukt het toch.

    Vrijdag
    Vandaag komt mijn broer op bezoek. 's Ochtends doe ik zoveel mogelijk niets, op wat yoga en leestherapie na. 's Middags praat ik flink bij met mijn broer en leg ik wat boekjes voor de leerlingenbibliotheek klaar om volgende week mee naar school te nemen. Dit weekend fijn wat leuks doen met de kinderen, rust nemen als mijn hoofd dreigt op hol te slaan en dan komt het volgende week, voor het eerst weer twee verschillende klassen lesgeven, vast goed. Ik heb er zin in!

    maandag 23 april 2018

    Midlife mijmeringen: Juf Jolanda werd veertig. En dacht diep na.


    Het bericht van vandaag zou wel eens mijn meest persoonlijke stuk tot nu toe kunnen zijn. Ik schreef het op mijn verjaardag een tijdje terug. Een overpeinzing over een leeftijd (veertig) waar ik allerlei verwachtingen van had. Ook op carrièregebied. Vanwege de lengte heb ik het in tweeën gehakt, volgende week volgt het tweede deel. Dan dus ook het cadeautje dat ik je hieronder aanbiedt. Oh en weet je nog die cliffhanger, bij het artikel over de lerarenconferentie? Daar gaat dit stuk ook een beetje over. 

    Zo. Dus. Veertig jaar ben ik vandaag geworden. En in alle eerlijkheid vind ik het wel wat. Veertig jaar. De laatste tijd speelt er veel door mijn hoofd rondom deze verjaardag en ik heb besloten er maar gewoon een stukje over te schrijven. Een lang stuk zelfs. Maar wel interessant, hoor, dus lees gewoon lekker door. Krijg je aan het einde een cadeautje van me.

    Bron: Pixabay.com


    Laat ik voorop stellen dat ik het leuk vind om veertig jaar te worden. Ik heb er, ondanks dat ik de klok hoor tikken op de achtergrond, weinig problemen mee om ouder te worden. Ouder worden betekent namelijk dat je ouder mag worden; er nog bent. En ik vind het leven verdraaid leuk, dus is ouder worden gewoon een reden om blij te zijn. Dat ik vandaag mijn verjaardag niet vier is alleen omdat we plannen hebben om in juni een groot tuinfeest te geven, in plaats van nu.  

    Naast het feit dat ronde verjaardagen altijd een beetje speciaal zijn is er nog een reden waarom deze verjaardag voor mij net wat anders dan anders is. Er zijn namelijk twee leeftijden waar ik in mijn leven heel erg naar uit heb gekeken. De eerste was mijn achttiende, de tweede deze; mijn veertigste. Om verschillende redenen. Ik keek mijn hele puberteit uit naar mijn achttiende verjaardag omdat ik dacht dat er dan een soort magische wereld voor me open zou gaan. Alles zou anders worden, want ik zou dan de wereld der volwassenheid binnentreden. Ik kon er niet op wachten! Eindelijk serieus worden genomen, kunnen doen wat ik wilde, het huis uit: vrijheid!!  Ik had dromen van alleen zijn, in Amsterdam wonen, beroemd worden, de wereld die voor me open zou gaan. Het enige dat ik hoefde te doen was achttien worden. 

    Hoe groot was de deceptie toen ik eindelijk achttien werd? Behoorlijk groot. Dat snap jij, dat snap ik nu ook, maar toen was ik enorm teleurgesteld. Er veranderde potdorie helemaal niks! Ja, ik kon stemmen, maar er waren geen verkiezingen, dus wat had ik daar aan? Ik moest geld- en andere officiële zaken regelen, maar voor de rest bleef de wereld hetzelfde. Mijn omgeving was hetzelfde, ik was hetzelfde en wonderbaarlijk genoeg waren er allemaal praktische bezwaren die er voor zorgden dat ik niet zomaar op mezelf kon wonen. Ik voelde me belazerd en gedesillusioneerd.

    In de loop der jaren werd ik niet alleen volwassen, moeder en steeds meer tevreden met mijzelf en mijn leven, maar toen ik eind twintig was ontstond er ook een nieuw idee. Ik was alleenstaande moeder en was veel aan het zoeken en balanceren tussen mijn verantwoordelijkheden, studie, werk en mijn wens en verlangen naar meer, of anders. Emotioneel een stuk stabieler dan toen ik begin twintiger was bleef er desondanks een gevoel van onrust over. Ik zocht naar een uitlaatklep voor mijn creativiteit, vlinderde er op los. Zoveel interesses, zoveel impulsen, ik vond het vaak moeilijk om te kiezen en daar langere tijd tevreden mee te zijn. Daarnaast had ik een sluimerend verlangen om mensen meer te helpen dan ik als docent of schrijver zou kunnen. Iets als een nuchter spiritueel coach, mensen begeleiden, coachen, zoiets. Hoe? Dat wist ik niet, maar er bleef iets borrelen. 

    Inmiddels weet ik dat die onrust en moeite met focussen te maken heeft met wie ik ben. Zeker ook met de ADD die pas het afgelopen jaar officieel onderkend werd. Toen wist ik dat niet. Maar, zo had ik bedacht (of ergens gelezen), er zou een tijd komen dat Alles Echt Anders zou zijn (ja, met hoofdletters. Serieuze shit, weet je.) Want als ik veertig zou zijn dan zou ik uit de kleine kinderen zijn. Mijn studie zou afgerond zijn, ik zou werk hebben, met een beetje mazzel op een leuke school en met een vast contract. Maar wat belangrijker is, dan zou ik eindelijk meer rust hebben. Meer rust in mijn leven, meer rust in mijn hoofd, meer evenwicht; een goede balans.

    Bron: Pixabay.com


    Zo heb ik jarenlang geleefd. Niet met een duidelijk verlangen of ontevredenheid, maar met een onbewust gevoel dat wat er ook nog miste in mijn leven, dat op mijn veertigste goed zou komen. Iets met een puzzelstukje op z'n plek. Als de onrust dan toch eens te groot werd en ik het even niet meer wist kon ik uit die gedachte, dat gevoel een soort troost putten; 'het komt allemaal wel rond mijn veertigste, rustig maar.'

    Sinds ik mijn Grote Liefde (ja, met hoofdletters, heeft die van mij best verdiend) leerde kennen is er opnieuw veel veranderd. De laatste acht jaar ontstond er een langzame omslag meegemaakt. Van meer is beter naar minder is meer, zowel in huisinrichting als in bezigheden. Ik stopte met mijn werk als textielkunstenares en besloot dat ik me vooral wilde richten op wat me echt blij maakt. Naast mijn gezin is dat lesgeven en schrijven. Maar de wens om iets als coach te worden, of loopbaanbegeleider, of iets anders om mensen te helpen of te begeleiden, dat idee bleef. Op de achtergrond, vergezeld met de zin 'dat komt wel als ik rond de veertig ben.' 

    Volgende week, al is het meivakantie, volgt het tweede deel van dit stuk forty-something mijmeringen, inclusief inzicht en mijn verjaardagscadeautje voor jullie!